5 vragen aan Menno Hagemeijer, vrijwilliger Make-A-Wish

Menno Hagemeijer (50 jaar) is getrouwd en vader van twee dochters. Hij werkt bij defensie en is sinds 2012 wensvervuller bij Make-A-Wish Nederland. Daarnaast is hij wenscoördinator en -haler voor de regio Haaglanden. Werken voor Make-A-Wish is onderdeel van zijn gezin geworden. Zijn dochters denken bijvoorbeeld mee over ‘wat vindt een meisje van een bepaalde leeftijd doorgaans leuk?’  Menno is trots op Make-A-Wish en zijn collega vrijwilligers: ‘we zijn zo kritisch bij het uitgeven van geld, waar we kunnen besparen, doen we dat. Is het budget voor een wens onverhoopt niet toereikend? Vaak kunnen we dat dekken doordat andere wensen veelal onder budget gerealiseerd worden doordat bedrijven of restaurants bijvoorbeeld alsnog dingen gratis aanbieden.’

1. Wat doe je als vrijwilliger bij Make-A-Wish Nederland?
‘Als wensvervuller bij Make-A-Wish Nederland ben ik organisator van een wensvervulling. Nadat een ernstig ziek kind is aangemeld en er contact is geweest tussen de collega’s op kantoor en de familie gaan wenshalers naar de familie toe. Zo leren zij het wenskind en de familie kennen. Zij achterhalen wat de liefste wens is maar proberen ook om op een subtiele manier te achterhalen wat bijvoorbeeld de lievelingskleur, het lievelingseten en -snoep is van het wenskind. Van dit bezoek wordt een verslag gemaakt en daar ga ik als wensvervuller mee aan de slag. Je krijgt een budget en dan ga je aan de slag om de wens ‘waar te maken’. Je gaat bedrijven benaderen, plannen uitleggen, een tijdslijn maken en bovenal de wens vervullen. Je bent als het ware verantwoordelijk voor de realisatie van de liefste wens van een ernstig ziek kind. Het is vaak een traject van wel drie maanden maar soms heb je die tijd niet. Soms gaat een kind zo snel achteruit. Een spoedwens wordt soms ook in een paar weken en soms zelfs in een paar dagen gerealiseerd.’

2. Hoe ben je in deze rol terecht gekomen?
‘Mijn ouders waren vroeger donateur van toen nog ‘stichting doe een wens’. Later is dat Make-A-Wish Nederland geworden. We kregen thuis per post altijd het ‘doe een wens krantje’. Jaren later had ik behoefte om iets meer te doen buiten mijn werk en heb gesolliciteerd bij Make-A-Wish.’

3. Wat is jouw drijfveer om dit werk te doen?
‘Ik wilde graag wat positiefs doen waarbij ik mijn kwaliteiten kon benutten. Je kan als stichting een doel hebben. Maar Make-A-Wish werkt echt. Je weet dingen voor elkaar te krijgen die anders niet mogelijk zijn. De impact is zo enorm zowel op kind als op het hele gezin. Ik vergeet nooit dat ik zeker 2 jaar na een wensvervulling een fotoboek kreeg van de ouders van dat wenskind. Een fotoboek waarin de familie mij liet zien hoe zij de wens hadden beleefd. Dat raakt mij tot het diepst van mijn ziel.’

4. Wat maakt op jou het meeste indruk tijdens je werk voor Make-A-Wish?
‘Het moment dat je ziet dat een wens werkt, dat het lukt en effect heeft. Je ziet het aan het wenskind, het oogcontact dat je hebt, de verbazing. De momenten dat het zieke kind even de rotsituatie kan ‘loslaten’ en kan genieten.  Die respons, de blik van het kind maakt op mij de meeste indruk.’


 
5. Wat is jouw tip voor BAM collega's die geld in willen zamelen voor Make-A-Wish? 

  • Probeer stil te staan bij het feit dat 1200 kinderen per jaar geconfronteerd worden met een ernstige ziekte en de impact die dat heeft op hun jonge leven en dat van het een gezin.
  • Probeer je in te leven in de rollercoaster van angst, verdriet en pijn.
  • Ook al kennen we elkaar niet. Neem van mij aan dat de wensvervulling impact maakt. Kinderen hebben het idee dat er echt iemand aan ze denkt.
  • We moeten echt keihard werken om alles te bereiken. Ook al is het vreselijk moeilijk en zwaar. Denk aan een ernstig ziek kind, hoe die in zo’n situatie komt, je zal er maar mee geconfronteerd worden.

     

 

Menno sluit af met een bijzonder verhaal over een meisje dat stamcelkanker had en niet meer beter kon worden. Slechts veertien kinderen krijgen deze ziekte per jaar. Menno praat over zijn twee gezonde dochters en zegt: 

‘Ik heb twee kinderen die gezond zijn. Als dat meisje met stamcelkanker ‘pech’ heeft, dan heb ik geluk’.